bird bird bird

God Is Nog Niet Dood

Summary

Dr. Craig’s hoofdartikel voor Christianity Today, waarin hij de hergeboorte van argumenten voor God’s bestaan onder hedendaagse filosofen beschrijft. Hij sluit af met enkele provocatieve stukken commentaar over de relevantie van het argument, waar hij de mythe dat we in een post-moderne cultuur leven uit elkaar laat spatten.

Men zou, door de recente stortvloed aan atheïstische best-sellers, misschien denken dat geloof in God tegenwoordig voor denkers intellectueel onverdedigbaar is geworden. Maar een blik op de boeken van Richard Dawkins, Sam Harris, Christopher Hitchens en van anderen, onthult al snel dat het zogenaamde Nieuwe Atheïsme intellectuele spierballen mist. Het is gelukzalig onwetend over de revolutie die in Engelse en Amerikaanse filosofie heeft plaatsgevonden. Het reflecteert het sciëntisme van een voorbij gegane generatie in plaats van het hedendaagse intellectuele landschap. Het culturele hoogtepunt van die oude generatie kwam op 8 april, 1966, toen het tijdschrift Time een hoofdverhaal had waarvoor de voorkant totaal zwart met de uitzondering van drie felle rode woorden:

1. Alles dat bestaat, heeft een verklaring voor diens bestaan, of in de noodzaak van de eigen aard of in een externe oorzaak.

2. Als het universum een verklaring voor diens bestaan heeft, dan is deze verklaring God.

3. Het universum bestaat.

4. Dus, de verklaring voor het universum’s bestaan is God.

Dit argument is logisch geldig, dus de enige vraag is of de premissen waar zijn. Premisse (3) valt niet te ontkennen voor welke oprechte waarheidszoeker dan ook, dus het komt neer op (1) en (2).

Premisse (1) schijnt nogal plausibel te zijn. Stel je voor dat door het bos loopt en een doorzichtige bal op de grond tegenkomt. Je zou de bewering dat de bal gewoon zonder verklaring bestaat nogal bizar vinden. Als de grootte van de bal wordt vermeerderd, zelfs als de bal net zo uitgestrekt wordt als de kosmos, dan zou hierdoor niets gebeuren om de noodzaak voor een verklaring voor dit bestaan te elimineren.

Premisse (2) lijkt misschien controversieel, maar is in feite synoniem met de gebruikelijke atheïstische bewering dat, als God niet bestaat, het universum geen verklaring voor diens bestaan heeft. Premmise (2) is bovendien nogal plausibel op zichzelf, want een externe oorzaak van het universum moet voorbij ruimte en tijd gaan en kan dus niet fysiek of materieel zijn. Nu zijn er maar twee soorten dingen die hierbij passen: of een abstract object, zoals een getal, of een intelligentie. Maar abstracte objecten zijn causaal impotent. Het getal 7, bijvoorbeeld, kan niets veroorzaken. Hieruit volgt dus dat de verklaring van het universum een externe, transcendente, persoonlijke intelligentie is die het universum heeft gecreëerd – en dit is wat de meeste mensen hebben bedoeld met de term “God”.

Het Kalam Kosmologisch Argument. Deze versie van het argument heeft een rijk Islamitisch erfgoed. Stuart Hackett, David Oderberg, Mark Nowacki en ik hebben het kalam-argument verdedigd. De formulering is simpel:

1. Alles dat begint te bestaan, heeft een oorzaak.

2. Het universum is begonnen te bestaan.

3. Dus, het universum heeft een oorzaak.

Premisse (1) lijkt zeker plausibeler dan diens negatie. Het idee dat dingen zonder oorzaak het bestaan in worden gedrukt is erger dan magie. Het is desalniettemin opmerkelijk hoe vele non-theïsten, onder de bewijskracht voor premisse (2), (1) hebben afgewezen in plaats van met de conclusie van het argument in te stemmen.

Atheïsten hebben, een eeuwig universum prefererend, (2) traditioneel afgewezen. Maar er zijn goede redenen, zowel filosofisch als wetenschappelijk, om twijfel te gooien op het idee dat het universum geen begin had. Filosofisch lijkt het idee van een oneindig verleden absurd. Als het universum nooit een begin had, dan is het aantal gebeurtenissen in de geschiedenis van het universum oneindig. Niet alleen is dit een zeer paradoxaal idee, het geeft een probleem aan: hoe kan het heden ooit zijn gearriveerd, als een oneindig aantal eerdere gebeurtenissen eerst vooruit moest glijden?

Bovendien heeft een opmerkelijke serie ontdekkingen in de astronomie en astrofysica door de laatste eeuw heen het kalam cosmologisch argument nieuw leven ingeblazen. We hebben nu redelijk sterk bewijs dat het universum niet eeuwig in het verleden is, maar dat het ongeveer 13,7 biljoen jaar geleden in een cataclysmische gebeurtenis die als de Big Bang bekend staat een absoluut begin had.

De Big Bang is zo geweldig, omdat het de oorsprong van het universum vanuit letterlijk niets representeert, want alle materie en energie, zelfs fysieke ruimte en tijd zelf, ontstonden met de Big Bang. Terwijl sommige cosmologen hebben geprobeerd alternatieve theorieën te maken die dit absolute begin ontwijken, heeft geen van deze theorieën zich aan de wetenschappelijke gemeenschap aanbevolen. In 2003 zijn zelfs cosmologen Arvind Borde, Alan Guth, en Alexander Vilenkin in staat geweest te bewijzen dat elk universum, dat zich gemiddeld in een staat van kosmische expansie bevindt, niet eeuwig in het verleden kan zijn, maar dat deze een absoluut begin moet hebben. Vilenkin zegt, “Kosmologen kunnen zich niet langer achter de mogelijkheid van een universum dat eeuwig in het verleden is verschuilen. Er is geen uitweg. Ze moeten het probleem van een kosmisch begin confronteren.” Hieruit volgt dan dat er wel een transcendente oorzaak moet zijn waardoor het universum is ontstaan, een oorzaak die, zoals we hebben gezien, plausibel tijdloos is, ruimteloos, immaterieel, en persoonlijk.

Het Teleologisch Argument. Het oude ontwerp-argument blijft vandaag als altijd nog steeds robuust, en wordt in verschillende vormen door Robin Collins, John Leslie, Paul Davies, William Dembski, Michael Denton en anderen verdedigd. Voorstanders van de Intelligent Design-beweging hebben de traditie van het vinden van voorbeelden van ontwerp in biologische systemen voortgezet. Maar het geavanceerde deel van de discussie focust zich op de recentelijk ontdekte, opmerkelijke fijnafstelling van de kosmos voor het leven. Er is bij deze fijnafstelling sprake van twee soorten. Ten eerste, als de natuurwetten als wiskundige vergelijkingen worden uitgedrukt, bevatten ze bepaalde constanten, zoals de gravitationele constante. De wiskundige waarden van deze constanten worden niet door de natuurwetten bepaald. Ten tweede zijn er bepaalde arbitraire kwantiteiten die gewoon deel zijn van de begin-condities van het universum – bijvoorbeeld, de hoeveelheid entropie in het universum.

Deze constanten en kwantiteiten bevinden zich in een buitengewoon small reikwijdte aan levens-bevorderende waarden. Als deze constanten en kwantiteiten ook maar door minder dan een haarbreedte veranderd waren, dan zou levens-bevorderende balans vernietigd zijn, en zou er geen leven zijn.

Dus mogen we nu het volgende beargumenteren:

1. De fijnafstelling van het universum komt door of fysieke noodzaak, kans, of ontwerp.

2. Het komt niet door fysieke noodzaak noch kans.

3. Dus, het komt door ontwerp.

Premisse (1) enumereert simpelweg de huidige opties ter verklaring van de fijnafstelling. De hoofdpremisse is dus (2). Het eerste alternatief, fysieke noodzaak, zegt dat de constanten en kwantiteiten de waarden die ze hebben moeten hebben. Dit alternatief heeft niet veel voor zich gaan. De natuurwetten zijn consistent met een grote reikwijdte aan waarden voor de constanten en kwantiteiten. De meest veelbelovende kandidaat voor een unificerende natuurkundige theorie tegenwoordig – de supersnaar-theorie of “M-theorie” – staat een “kosmisch landschap” van ongeveer 10500 verschillende mogelijke universa toe aangestuurd door de natuurwetten, en alleen een zeer klein deel hiervan kan leven ondersteunen.

Wat betreft kans erkennen hedendaagse theoristen steeds meer dat de waarschijnlijkheid tegen de fijnafstelling simpelweg niet te overstijgen zijn, tenzij men bereid is de speculatieve hypothese, dat ons universum maar een element is van een willekeurig geordend oneindig ensemble universa (ook wel het multiversum genoemd), te omarmen. In dit ensemble aan werelden wordt elke mogelijke wereld gerealiseerd, en zouden we vanzelfsprekend alleen een wereld kunnen observeren waar de constanten en kwantiteiten consistent zijn met ons bestaan. Dit is het vurige knelpunt van hedendaagse debatten. Natuurkundigen, zoals Oxford’s Roger Penrose, geven beschutting aan krachtige argumenten tegen elk beroep op een multiversum als een manier om de fijnafstelling uitleggend uit de weg te ruimen.

Het Morele Argument. Een aantal ethicisten, zoals Robert Adams, William Alston, Mark Linville, Paul Copan, John Hare, Stephen Evans en anderen hebben ethische “goddelijke mandaat”-theorieën verdedigd, die verscheidene morele argumenten voor God’s bestaan ondersteunen. Eén zo’n argument gaat als volgt:

1. Als God niet bestaat, dan bestaan objectieve morele waarden en plichten niet.

2. Objectieve morele waarden en plichten bestaan.

3. Dus, God bestaat.

Men bedoelt, als het objectieve waarden en plichten betreft, waarden en plichten die onafhankelijk van menselijke opinie geldig en bindend zijn. Een redelijk aantal atheïsten en theïsten zijn het eens met premisse (1), want, als het naturalistische wereldbeeld het geval is, zijn mensen gewoon dieren, en activiteiten die wij als moord, marteling en verkrachting beschouwen zijn dan in het dierenrijk natuurlijk en amoreel. Als er bovendien niemand is om bepaalde handelingen te gebieden of te verbieden, hoe kunnen we dan morele beperkingen of morele verplichtingen hebben?

Premisse (2) zou misschien meer weerlegbaar lijken, maar het zal waarschijnlijk voor de meeste leken als verrassing komen dat premisse (2) onder filosofen in het algemeen wordt geaccepteerd. Elk argument, dat tegen de objectieve moraal wordt ingezet, zal namelijk ernaar neigen gebaseerd te zijn op premissen die minder evident zijn dan de werkelijkheid van morele waarden zelf, zoals het door ons in onze morele ervaring wordt begrepen. De meeste filosofen erkennen dus wel objectieve morele verschillen.

Non-theïsten zullen het morele argument typisch tegengaan door middel van een dilemma: is iets goed omdat God het wilt, of wilt God iets omdat het goed is? Het eerste alternatief maakt goed en kwaad arbitrair, terwijl het tweede het goede onafhankelijk van God maakt. Gelukkig is het dilemma een valse. Theïsten hebben traditioneel een derde alternatief aangenomen: God wilt iets omdat hij goed is. Oftewel, wat Plato het Goede noemt, is de morele aard van God zelf. God is in zijn aard liefdevol, aardig, onpartijdig, enzovoorts. Hij is het paradigma van goedheid. Daarom is het Goede niet onafhankelijk van God. Bovendien zijn God’s geboden een nodige expressie van zijn aard. Zijn geboden naar ons zijn dus niet arbitrair, maar nodige reflecties van zijn karakter. Dit geeft ons een adequate fundering voor de affirmatie van objectieve morele waarden en plichten.

Het Ontologische Argument. Anselmus’ beroemde argument is geherformuleerd en wordt verdedigd door Alvin Plantinga, Robert Maydole, Brian Leftow en anderen. God, zoals Anselmus observeert, is per definitie het meest grootse denkbare wezen. Als je iets zou kunnen bedenken dat groter dan God is, dan zou dit God zijn. Dus, God is het meest grootse denkbare wezen, een wezen dat maximaal groots is. Hoe zou dan zo’n wezen zijn? Hij zou almachtig, alwetend en totaal goed zijn, en hij zou in elke logisch mogelijke wereld bestaan. Maar dan kunnen we als volgt beargumenteren:

1. Het is mogelijk dat een maximaal groots wezen (God) bestaat.

2. Als het mogelijk is dat een maximaal groots wezen bestaat, dan bestaat er een maximaal groots wezen in een mogelijke wereld.

3. Als een maximaal groots wezen in een mogelijke wereld bestaat, dan bestaat het in elke mogelijke wereld.

4. Als een maximaal groots wezen in elke mogelijke wereld bestaat, dan bestaat het in de actuele wereld.

5. Dus, een maximaal groots wezen bestaat in de actuale wereld.

6. Dus, een maximaal groots wezen bestaat.

7. Dus, God bestaat.

Nu kan het een verrassing zijn als je leert dat stappen 2–7 van het argument relatief oncontroversieel zijn. De meeste filosofen zouden het ermee eens zijn dat, als God’s bestaan zelfs maar mogelijk is, hij moet bestaan. Dus de hele kwestie wordt dit: is God’s bestaan mogelijk? De atheïst moet aanhouden dat het onmogelijk is dat God bestaat. Hij moet zeggen dat het concept van God incoherent is, net zoals het concept van een getrouwde vrijgezel of een rond vierkant. Maar het probleem is dat het concept van God gewoon niet op deze manier incoherent schijnt te zijn. Het idee van een wezen, dat in elke mogelijke wereld almachtig, alwetend en totaal goed is, lijkt perfect coherent. Dus zolang God’s bestaan ook maar mogelijk is, volgt hieruit dat God moet bestaan.

Waarom de Moeite Nemen?

Natuurlijk zijn er antwoorden en tegenantwoorden op al deze argumenten, en niemand denkt dat er consensus zal worden bereikt. Er zijn inderdaad, na een periode van inactie, tekenen dat de slapende titaan, het atheïsme, uit zijn dogmatische sluimer is opgewekt en dat deze titaan aan het terugvechten is. J. Howard Sobel en Graham Oppy hebben grote academische boeken geschreven die de argumenten van natuurlijke theologie bekritiseren, en Cambridge University Press heeft Companion to Atheism vorig jaar uitgebracht. Desalniettemin is de aanwezigheid van het debat onder academici op zich een teken van hoe gezond en levendig tegenwoordig het theïstische wereldbeeld is.

Sommigen, hoe dit allemaal ook moge zijn, denken dat de heropstanding van natuurlijke theologie in ons tijdperk niets meer is dan verloren werk, want leven we niet in een post-moderne cultuur waarin het beroep op zulke apologetische argumenten niet meer effectief is? Rationele argumenten voor de waarheid van het theïsme zouden niet meer moeten werken. Sommige Christenen adviseren dus dat we gewoonweg ons verhaal moeten delen en mensen moeten uitnodigen hierin deel te nemen.

Dit soort denken maakt zich schuldig aan een desastreuze misdiagnose van contemporaire cultuur. Het idee dat we in een post-moderne cultuur leven is een mythe. Een post-moderne cultuur is in feite onmogelijk; het zou totaal onleefbaar zijn. Mensen zijn niet relativistisch als het om kwesties van wetenschap, bouwkunde en technologie gaat; ze zijn wel relativistisch en pluralistisch in kwesties van religie en ethiek. Maar dat is natuurlijk geen postmodernisme; dat is het modernisme! Dat is gewoon het oude verificationisme, dat affirmeerde dat, alles dat je niet met de zintuigen kunt bewijzen, een kwestie van persoonlijke smaak is. We leven in een cultuur die diep modernistisch blijft.

Hoe zouden we anders de populariteit van het Nieuwe Atheïsme zinnig kunnen begrijpen? Dawkins en zijn soortgenoten zijn onuitwisbaar modernistisch en zelfs sciëntistisch in hun benadering. Bij het postmodernistische begrip van hedendaagse cultuur zouden hun boeken moeten vallen als water op een steen. Maar mensen kabbelen ze liever naar zich toe, met de overtuiging dat religieus geloof dwaas is.

Gezien dit feit zou aanpassing van ons evangelie aan een post-moderne cultuur zelf-vernietigend zijn. Door onze beste wapens van logica en bewijs neer te leggen garanderen we de overwinning van het modernisme over ons heen. Als de kerk zo’n intentie aanneemt, dan zullen de consequenties in de volgende generatie catastrofisch zijn. Het Christendom zal worden gereduceerd tot maar weer een andere stem in een hele verzameling aan competitie voerende stemmen, die elk zijn eigen verhaal deelt, en waarbij niet één zich als de objectieve waarheid over de werkelijkheid aanbeveelt. Intussen zullen sciëntisme en naturalisme doorgaan met hun vorming van onze cultuur over hoe de wereld echt in elkaar zit.

Robuuste natuurlijke theologie kan net zo goed nodig zijn voor het evangelie om tegenwoordig effectief in de Westese maatschappij te worden gehoord. De Westerse cultuur is in het algemeen erg post-Christelijk. Het is het product van de Verlichting, die het gist der secularisme de Europeaanse cultuur heeft ingebracht, dat nu de Westerse maatschappij heeft doordrenkt. Terwijl de meesten van de originele Verlichtingsdenkers zelf theïstisch waren, beschouwt het merendeel van Westerse intellectuelen  tegenwoordig theologische kennis als onmogelijk. De persoon die de tocht van de rede onverzettelijk naar het einde doorzet, zal atheïstisch zijn of op zijn hoogst agnostisch.

Onze cultuur correct begrijpen is belangrijk, omdat het evangelie nooit in isolatie wordt gehoord. Het wordt altijd tegenover de achtergrond van onze huidige culturele milieu gehoord. Een persoon die is opgegroeid in een cultureel milieu waarin het Christendom nog steeds wordt gezien als intellectueel haalbare optie, zal openheid ervoor tonen. Maar je kunt de secularist, als het Jezus Christus betreft, net zo goed vertellen om te geloven in feeën of kabouters!

Christenen die natuurlijke theologie onderwaarderen omdat “niemand door intellectuele argumenten tot geloof komt” zijn dus tragisch kortzichtig, want de waarde van natuurlijke theologie gaat ver voorbij het directe evangelische contact. Het is de bredere taak van Christelijke apologetiek, inclusief natuurlijke theologie, om te helpen een cultureel milieu te creëren en te behouden waarin het evangelie als een intellectueel haalbare optie voor denkende mannen en vrouwen kan worden aangehoord. Hierdoor geeft het mensen die intellectuele toestemming te geloven als hun harten worden bewogen. Ik anticipeer, verder de 21ste eeuw binnegaand, dat natuurlijke theologie een steeds relevantere en vitale voorbereiding zal zijn voor mensen die het evangelie hierdoor ontvangen.

 

Bibliografie

Genoemde Werken van Geleerden

Adams, Robert. Finite and Infinite Goods. Oxford: Oxford University Press, 2000.

Alston, William. "What Euthyphro Should Have Said." In Philosophy of Religion: a Reader and Guide, pp. 283-98. Red. Wm. L. Craig. New Brunswick, N. J.: Rutgers University Press, 2002.

Collins, Robin. The Well-Tempered Universe (in de maak).

Copan, Paul. "God, Naturalism, and the Foundations of Morality." In The Future of Atheism: Alister McGrath and Daniel Dennett in Dialogue. Ed. R. Stewart. Minneapolis: Fortress Press, 2008.

Craig, William Lane. The Kalam Cosmological Argument. Herd. red. Eugene, Ore.: Wipf & Stock, 2001.

Davies, Paul. Cosmic Jackpot. Boston: Houghton Mifflin, 2007.

Davis, Stephen T. God, Reason, and Theistic Proofs. Reason and Religion. Grand Rapids: Wm. B. Eerdmans, 1997.

Dembski, William. The Design Revolution. Downers Grove, Ill.: Inter-Varsity, 2004.

Denton, Michael. Nature's Destiny: How the Laws of Biology Reveal Purpose in the Universe. New York: Free Press, 1998.

Evans, C. Stephen. Kierkegaard's Ethic of Love: Divine Commands and Moral Obligations. Oxford: Oxford University Press, 2004.

Hackett, Stuart. The Resurrection of Theism. Herd. red. Grand Rapids: Baker, 1982.

Hare, John. "Is Moral Goodness without Belief in God Rationally Stable?" In God and Ethics: A Contemporary Debate. Herd. Nathan King and Robert Garcia. Lanham, Md.: Rowman & Littlefield, 2008.

Koons, Robert. "A New Look at the Cosmological Argument." American Philosophical Quarterly 34 (1997): 193-211.

Leftow, Brian. "The Ontological Argument." In The Oxford Handbook for Philosophy of Religion, pp. 80-115. Herd. Wm. J. Wainwright. Oxford University Press, 2005.

Leslie, John. Universes. London: Routledge, 1989.

Linville, Mark. "The Moral Argument." In Blackwell Companion to Natural Theology. Herd. Wm. L. Craig en J. P. Moreland. Oxford: Blackwell, in de maak.

Martin, Michael, red. The Cambridge Companion to Atheism. Cambridge Companions to Philosophy. Cambridge: Cambridge University Press, 2007.

Maydole, Robert. "A Modal Model for Proving the Existence of God." American Philosophical Quarterly 17 (1980): 135-42.

Nowacki, Mark. The Kalam Cosmological Argument for God. Studies in Analytic Philosophy. Amherst, N.Y.: Prometheus Books, 2007.

O'Connor, Timothy. Theism and Ultimate Explanation: The Necessary Shape of Contingency. Oxford: Blackwell, 2008.

Oderberg, David. "Traversal of the Infinite, the 'Big Bang,' and the Kalam Cosmological Argument." Philosophia Christi 4 (2002): 303-34.

Oppy, Graham. Arguing about Gods. Cambridge: Cambridge University Press, 2006.

Plantinga, Alvin. The Nature of Necessity. Oxford: Clarendon, 1974.

Pruss, Alexander. The Principle of Sufficient Reason: A Reassessment. Cambridge Studies in Philosophy. Cambridge: Cambridge University Press, 2006.

Sobel, Jordan Howard. Logic and Theism: Arguments for and against Beliefs in God. Cambridge: Cambridge University Press, 2004.

Swinburne, Richard. The Existence of God. Herz. red. Oxford: Clarendon, 2004.

 

Werken voor het Introductoire Niveau

Boa, Kenneth en Bowman, Robert. Twenty Compelling Evidences that God Exists. Tulsa, Ok. River Oak, 2002.  

Craig, William Lane. God, Are You There? Atlanta: RZIM, 1999.  

Strobel, Lee. The Case for a Creator. Grand Rapids: Zondervan, 2004.