bird bird bird

Een Recensie van Paul Helm’s Eternal God

Samenvatting

Paul Helm’s Eternal God is een belangrijke verdediging van de zaak voor tijdloze goddelijke aseïteit. Ik toon aan dat Helm’s zaak een tijdloze zaak (of één van de B-theorie) zonder voldoende rechtvaardiging.

In de geest van Jonathan Edwars geeft Helm een filosofische verdediging van de coherentie en plausibiliteit van de theorie dat God een tijdloos, alwetend wezen is wiens bestaan logisch consistent is met libertarische vrijheid in al Zijn schepselen. Zoals de titel van het boek suggereert, is het voornaamste steunpunt van Helm’s zaak zijn verdediging van goddelijke tijdloosheid.

Bijbelse geleerden zouden misschien het hoofd in afwijzing schudden bij het vooruitzicht van iemand die de bijbelse notie van goddelijke eeuwigheid met termen van tijdloosheid opbouwt, in plaats van dat omnitemporaliteit wordt onderzocht. Maar in hoofdstuk 1 “The Issue of Divine Eternity” beargumenteert Helm zeer overtuigend dat de bijbelse schrijvers het idee van goddelijke tijdloosheid noch accepteerden noch afwezen, omdat ze een “reflectieve context” waarin deze vraag noodzakelijk moest worden behandeld misten. De bijbelse schrijvers spreken consistent over God in de tijd, maar, zoals Helm correct aangeeft, ze spreken met net zoveel consistentie over God als God in de ruimte, en toch behandelt de meerderheid aan theologen en filosofen God als overkoepelend boven de ruimte, waarbij ze de goddelijke omnipresentie niet als ruimtelijke extensie behandelen. Helm streeft ernaar dat we goddelijke eeuwigheid met een analogie als tijdloosheid moeten behandelen, omdat deze doctrine – door de garantie van goddelijke onveranderlijkheid – de nodige metafysische basis legt voor God zijn functioneren als de bijbelse God. Om zijn zaak dus voort te zetten, moet Helm niet alleen aantonen dat goddelijke tijdloosheid logisch coherent is, maar ook dat er goede redenen zijn om de doctrine te omarmen.

Jammer genoeg wordt Helm’s behandeling van deze coherentie ondermijnd door zijn defectie om het nodige, voorgaande graafwerk te verrichten betreffende bepaalde sleutel-kwesties betreffende ruimte- en tijdsfilosofie; bijvoorbeeld een adjudicatie van de objectiviteit van het temporele worden en de ontologische status van de toekomst. Zijn discussie van “Omniscience and the Future” (“Alwetendheid en de Toekomst”) in hoofdstuk 7 suggereert dat Helm een A-tijdstheorie wilt aanhouden, volgens welke de toekomst onecht is en waarbij objectieve wording bestaat. Maar zijn argumenten voor de coherentie van goddelijke tijdloosheid schijnen een B-tijdstheorie aan te nemen, volgens welke alle gebeurtenissen – verleden, heden, en toekomst – even gelijk en echt zijn, en wat “nu” bestaat is puur een relatieve zaak van het subjectieve bewustzijn.

Zijn behandeling, bijvoorbeeld, van de tijdszinnen en temporele indexicalen in hoofdstuk 3 “Indexicals and Spacelessness” (“Indexicalen en Ruimteloosheid”) en hoofdstuk 5 “Eternity, Immutability and Omniscience” (“Eeuwigheid, Onveranderlijkheid en Alwetendheid”) is in diens aard B-theoretisch. Hij keurt D. H. Mellor’s voorstel, voor de specificatie van tijdloze waarheids-voorwaarden van tijdszinnen goed, en behandelt indexicalen zoals “nu” niet als tijdsuitdrukkingen, maar als uitdrukkingen analoog aan indexicalen zoals “hier”. Hij ziet de temporele distinctie tussen het verleden en de toekomst ook als analoog aan de ruimtelijke distinctie tussen voor en achter.

In hoofdstuk 4 “Eternity and Personality” (“Eeuwigheid en Persoonlijkheid”), nadat hij effectief objecties, dat een tijdloos wezen niet persoonlijk kan zijn, gebaseerd op overwegingen van geheugen, doel en kennis, heeft gerefuteerd, stelt Helm voor om de objectie, dat een tijdloos wezen niet causaal een universum kan creëren dat serieel in de tijd wordt uiteengelegd, op te lossen door de assertie dat het universum als geheel niet in de tijd bestaat en dat God het hele universum produceert – de algehele temporele matrix – door een enkele tijdloze daad van causaliteit, in plaats van door de productie van elke gebeurtenis door een aparte daad van causaliteit (cf. p. 27). Deze oplossing is volgens mij coherent, maar alleen als men een B-tijdstheorie aanneemt, die Helm nooit behandeld of rechtvaardigt.

Waarom zou je in elk geval God als tijdloos beschouwen? Het lijkt mij dat Helm cogent beargumenteert dat God, alleen als Hij tijdloos is, onveranderlijk in een hele sterke zin kan zijn. Maar ik zie niet hoe Helm rechtvaardiging geeft voor de adoptie van zo’n sterke doctrine van onveranderlijkheid die hij prefereert boven een minder strenge formulatie van die doctrine. Helm neemt ook aan dat alleen een tijdloze God de toekomst van de wereld kan kennen (p. 94), maar de lezer zinloos zoeken naar een argument waarom een temporele God de toekomst niet kan kennen, vooral als Hij – zoals Helm gelooft – alles dat zal gebeuren decreteert. Kort samengevat: Helm’s zaak voor goddelijke tijdloosheid is, met enige teleurstelling, zwak.

Hoofdstukken 6–8 werken het thema van God’s kennis over toekomstige contingenten uit. Jammer genoeg lijkt zijn behandeling nogal een warboel en interactioneert deze alleen oppervlakkig met het huidige levendige debat over het probleem. Ik denk dat Helm effectief beargumenteert dat goddelijke tijdloosheid het probleem van theologisch fatalisme niet oplost, omdat er kan voor elke tijd t waarlijk nog voor t worden aangenomen dat God tijdloos weet wat er op punt t gebeurt, wat voor de fatalist genoeg is. Vreemd genoeg denkt hij echter niet dat dit argument tot logisch fatalisme kan worden gereduceerd, omdat, als proposities tijdloos waar zijn, ze temporeel niet nodig zijn. Maar dezelfde gok kan hier ook met God’s tijdloze kennis worden gemaakt: voordat t plaatsvindt, kan er waarlijk worden aangenomen dat het tijdloos waar is dat er een gebeurtenis op tijdspunt t plaatsvindt. En het is ook niet, pace Helm, dat logisch fatalisme aanhoudt dat alle proposities logisch noodzakelijk zijn (i.e., er is maar één mogelijke wereld), maar dat ze temporeel noodzakelijk zijn. Helm doet een halfdoorbakken poging om temporele noodzakelijkheid en harde/zachte feiten te behandelen, maar geeft de discussie geen progressie. Het is echter zeer verrassend dat Helm uiteindelijk toegeeft dat goddelijke voorkennis “misschien . . . met menselijke indeterministische vrijheid kan worden verzoend en [dat] logisch . . . fatalisme zo wordt ontkracht” (p. 142), wat heel zijn zaak weg lijkt te gooien!

Uiteindelijk gaat Helm eigenlijk richting een redenering dat voorkennis die is gebaseerd op God’s pre-ordinatie van de toekomst incompatibel is met indeterministische menselijke vrijheid. Maar alleen Thomisten (en misschien sommige Augustinianen) zou het iets moeten schelen deze bewering tegen te gaan! Het punt is dat Helm helemaal geen rechtvaardiging geeft voor de adoptie van zo’n model van voorkennis (tenzij hij de deterministische aard van de toekomst verwart met toekomst die wordt gedetermineerd). Dus het is niet het bestaan van een tijdloze alwetende God dat inconsistent is met libertarische vrijheid, maar het preordinatie-model dat Helm aanneemt. Hoofdstuk 9 “Timelessness and Human Responsibility” (“Tijdloosheid en Menselijke Verantwoordelijkheid”) stimuleert de gedachten om aan te tonen dat, als atheïstische compatibilisme consistent is met menselijke verantwoordelijkheid, theïstisch compatibilisme dat ook is, waardoor God dus niet zou moeten worden beschuldigd voor het decreet dat er een wereld met menselijke zonde bestaat. (Helm erkent dat dit een hele grote “als” !)

Helm’s behandeling van “Divine Freedom” (“Goddelijke Vrijheid”) in hoofdstuk 10 wordt gehinderd door zijn inadequate grip op de contrafeiten met betrekking tot God’s vrijheid om andere werelden te actualiseren; maar hoofdstuk 11 “Referring to the Eternal God” (“Aan de Eeuwige God Refereren”) is een helpende behandeling van de modieuze atheïstische objectie dat God niet kan worden geïdentificeerd.

De waarde van Helm’s boek wordt gelimiteerd door zijn falen om enkele sleutel-kwesties te behandelen (e.g., middenkennis of voorstellen om persoonlijke en temporele indexicalen zoals D. Lewis’ distinctie tussen kennis de se en de dicto te behandelen). Iets minder erg is dat het boek wordt verslechterd door een verrassend aantal drukfouten en Helm’s gewoonte om in zinsfragmenten te schrijven.

– William Lane Craig